Bijlagen
2025
Bijlage 1
Op de website van de commissie staat de Regeling en ook staan op de website de door de NVK opgestelde zorgvuldigheidseisen levensbeëindiging kinderen 1–12 jaar en toelichting.
Zorgvuldigheidseisen late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging pasgeborenen
Artikel 6 Regeling
In het geval van late zwangerschapsafbreking heeft de arts zorgvuldig gehandeld indien:
- a. de arts de overtuiging heeft gekregen dat de ongeborene een aandoening of een combinatie van aandoeningen heeft die van zodanige aard is dat na de geboorte zou worden afgezien van een medische behandeling, omdat ingrijpen naar heersend medisch inzicht zinloos zou zijn en naar heersend medisch inzicht geen redelijke twijfel bestaat over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose;
- b. de arts de overtuiging heeft gekregen dat bij de ongeborene sprake is van een actueel of te voorzien uitzichtloos lijden;
- c. de arts de ouders volledig op de hoogte heeft gesteld van de diagnose en de daarop gebaseerde prognose. Dit houdt onder andere in dat de arts met de ouders tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin de ongeborene zich bevindt geen redelijke andere oplossing is;
- d. de moeder uitdrukkelijk heeft verzocht om beëindiging van de zwangerschap wegens lichamelijk of psychisch lijden onder de situatie;
- e. de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over alle hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen, of, indien een onafhankelijke arts redelijkerwijs niet kon worden geraadpleegd, het behandelteam heeft geraadpleegd, dat schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over alle hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
- f. de afbreking van de zwangerschap medisch zorgvuldig is uitgevoerd.
Artikel 7 Regeling
In het geval van levensbeëindiging bij een pasgeborene heeft de arts zorgvuldig gehandeld indien:
- a. naar overtuiging van de arts sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de pasgeborene, hetgeen onder andere betekent dat het staken van de medische behandeling gerechtvaardigd is, dat wil zeggen dat naar heersend medisch inzicht vast staat dat ingrijpen zinloos is en naar heersend medisch inzicht geen redelijke twijfel bestaat over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose;
- b. de arts de ouders volledig op de hoogte heeft gesteld van de diagnose en de daarop gebaseerde prognose en dat de arts met de ouders tot de overtuiging is gekomen dat voor de situatie waarin de pasgeborene zich bevond geen redelijke andere oplossing was;
- c. de ouders hebben ingestemd met de levensbeëindiging;
- d. de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over alle hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen, of, indien een onafhankelijke arts redelijkerwijs niet kon worden geraadpleegd, het behandelteam heeft geraadpleegd, dat schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over alle hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
- e. de levensbeëindiging medisch zorgvuldig is uitgevoerd.
Zorgvuldigheidseisen levensbeëindiging kinderen 1-12 jaar
Versie 2 oktober 2024, geaccordeerd door NVK-bestuur.
De arts heeft zorgvuldig gehandeld indien:
- a. er naar overtuiging van de arts sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind;
- b. de arts de ouders - en zoveel mogelijk het kind - zo volledig mogelijk heeft geïnformeerd over de diagnose en de prognose;
- c. de arts met de ouders - en zoveel mogelijk met het kind - tot de overtuiging is gekomen dat voor het lijden van het kind geen redelijke andere oplossing was;
- d. de arts het kind - als het daartoe in staat was en zo veel als op grond van diens bevattingsvermogen mogelijk is - heeft betrokken bij de besluitvorming en ervan overtuigd kon zijn dat de levensbeëindiging niet tegen de wil van het kind werd uitgevoerd;
- e. de ouders, nadat ze zijn geïnformeerd, hebben ingestemd met de levensbeëindiging;
- f. de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die het kind en de ouders heeft gezien en een schriftelijk oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
- g. de arts de levensbeëindiging medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
Bijlage 2
Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij een pasgeborene
Bij een voorgenomen late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij een pasgeborene informeert de arts de ouder(s) over de procedure. Indien de moeder en vader allebei betrokken zijn, dienen ze in te stemmen met de procedure en het doorsturen van het dossier naar de betrokken instanties. Als de ouders geen toestemming geven, kan de arts beslissen om de procedure niet voort te zetten. Daarnaast geldt de verplichting om een onafhankelijke arts te raadplegen.
Levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar
Bij een voorgenomen levensbeëindiging van een kind in de leeftijd van 1 tot 12 jaar informeert de arts zowel de ouder(s) als – voor zover mogelijk – het kind over de medische situatie van het kind, waaronder de diagnose en prognose.
In overleg met de ouders, en indien mogelijk ook met het kind, moet komen vast te staan dat er volgens geldende medische inzichten geen redelijke andere oplossing is voor het ernstige en uitzichtloze lijden van het kind. Deze fase markeert de onomkeerbaarheid van de situatie waarin het kind zich bevindt. De arts betrekt het kind – voor zover het daartoe in staat is – bij de besluitvorming en moet overtuigd zijn dat de levensbeëindiging niet tegen de wil van het kind plaatsvindt. De ouders moeten instemmen met het besluit tot levensbeëindiging, nadat zij daarover volledig en zorgvuldig zijn geïnformeerd. Deze instemming wordt schriftelijk vastgelegd in het medisch dossier.
Daarnaast is het raadplegen van een onafhankelijke arts verplicht. Deze beoordeelt of, naar zijn of haar overtuiging, is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen en in het bijzonder of de uitvoerend arts daadwerkelijk tot de vereiste overtuiging heeft kunnen komen, zoals omschreven in de door de NVK opgestelde zorgvuldigheidseisen.
Een onafhankelijke arts wordt in dit verband beschouwd als een arts die geen deel uitmaakt van het behandelteam en bij voorkeur werkzaam is in een andere instelling. Er mag geen sprake zijn van een persoonlijke, organisatorische, hiërarchische, behandel- of financiële relatie tussen de uitvoerend en de onafhankelijke arts. Ook mag er geen sprake zijn van een familieband, vriendschap of bestaande behandelrelatie tussen de onafhankelijke arts en het kind en/of diens ouders.
Meldingsprocedure
De arts stelt de gemeentelijk lijkschouwer op de hoogte van de door hem of haar uitgevoerde late zwangerschapsafbreking, of van de levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind van 1 tot 12 jaar. De gemeentelijk lijkschouwer verricht vervolgens de schouw en onderzoekt op welke wijze en met welke middelen het leven is beëindigd. Daarna stuurt de lijkschouwer zijn verslag naar de officier van justitie, die het verlof tot begraven of cremeren afgeeft.*3 Hiermee eindigt de rol van de gemeentelijk lijkschouwer.
Tot slot rust op de arts de plicht om binnen drie maanden na de late zwangerschapsafbreking, of de levensbeëindiging bij de pasgeborene of het kind van 1 tot 12 jaar, melding te doen bij de commissie. Hiervoor verstrekt de arts het volledig ingevulde meldingsformulier, inclusief alle relevante aanvullende documenten, aan de commissie.
Afwijkende procedure bij levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar
In het geval van levensbeëindiging bij een kind van 1 tot 12 jaar stuurt de officier van justitie het verslag van de lijkschouwer door naar het College. Het College verzoekt vervolgens de commissie om – op basis van heersend medisch inzicht – te beoordelen of de arts zorgvuldig heeft gehandeld. Deze afwijkende procedure is opgenomen omdat in de Regeling nog geen zorgvuldigheidseisen zijn vastgesteld voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar. Door de commissie op verzoek van het College te laten adviseren, behoudt het College de mogelijkheid om aanvullende vragen in zijn adviesverzoek op te nemen.
Net als bij een late zwangerschapsafbreking en bij levensbeëindiging van een pasgeborene wacht het College eerst het oordeel van de commissie af, voordat het een afdoeningsbeslissing neemt.*4
De commissie brengt haar gemotiveerde oordeel binnen acht weken na ontvangst van de melding schriftelijk ter kennis aan de arts. Indien nodig is deze termijn éénmalig te verlengen met maximaal acht weken.
Oordeel verstrekken aan het College
De commissie zendt haar oordeel binnen twee weken naar het College. Hierbij worden de onderliggende medische gegevens niet meegezonden.
Het oordeel van de commissie geldt als een zwaarwegend advies aan het College. De commissie beoordeelt zelfstandig of sprake is van een zorgvuldige uitvoering van een late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind van 1 tot 12 jaar. Het College zal haar besluit in beginsel uitsluitend op het oordeel van de commissie baseren, dus zonder kennis te nemen van de onderliggende medische gegevens. Dit onderstreept dat het oordeel van de commissie zwaar weegt bij de besluitvorming van het College. Na ontvangst van het standpunt van de commissie beoordeelt het College of (en zo ja welke) stappen tegen de arts moeten worden genomen. Het antwoord op die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij krijgt het standpunt van de commissie over de melding veel gewicht. Als de commissie vindt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, zal er in de regel geen aanleiding zijn om een strafrechtelijk onderzoek te starten maar wordt de melding afgesloten
(geseponeerd).*5
Oordeel verstrekken aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) houdt toezicht op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, de jeugdhulp, medicijnen en medische hulpmiddelen. De commissie zendt haar oordeel binnen twee weken naar de IGJ, alleen als haar oordeel ‘onzorgvuldig’ luidt. De onderliggende medische gegevens worden niet meegezonden naar de IGJ.
Bijlage 3
De commissie vindt het van belang om nader in te gaan op de toetsing en het eindoordeel van het College inzake late zwangerschapsafbreking, levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar.
Strafrechtelijke verwijtbaarheid
Het College beoordeelt de strafrechtelijke verwijtbaarheid van een arts in zaken die betrekking hebben op late zwangerschapsafbreking, levensbeëindiging bij pasgeborenen en bij kinderen van 1 tot 12 jaar. Die verwijtbaarheid komt te vervallen indien sprake is van een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond ‘overmacht’ in de zin van een noodtoestand. Daarvan is doorgaans sprake wanneer de commissie heeft vastgesteld dat de arts heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen. Als het College tot een andere conclusie zou komen, dan beziet het of er nader onderzoek moet komen om daarna te beoordelen of er redenen zijn om tot vervolging over te gaan.*6
Wanneer de arts volgens de commissie heeft gehandeld in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen zal het College doorgaans geen aanleiding zien om nader onderzoek in te stellen, gezien de zwaarte van het advies van de commissie. Dit sluit strikt genomen een onderzoek niet uit, ook niet als de commissie oordeelt dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan, bijvoorbeeld omdat sprake is van contra-indicaties waarvan de commissie geen weet had ten tijde van het afgeven van het oordeel. In het geval de commissie tot de conclusie komt dat een substantiële zorgvuldigheidseis is geschonden, kan het College overgaan tot nader onderzoek en eventueel tot vervolging. Tot op heden heeft het College in de door haar beoordeelde meldingen van de commissie nog nooit besloten onderzoek in te stellen of een arts te vervolgen.
Voor veel artsen is het uitvoeren van een late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar een uiterst moeilijke aangelegenheid. Vaak betreft het medisch ingewikkelde casuïstiek waarin de arts ook geconfronteerd wordt met ethische dilemma’s. Vanwege de ethische, maatschappelijke en politieke gevoeligheid van het onderwerp is het van belang dat het handelen van de arts toetsbaar en transparant is.
Zorgvuldigheidseisen
De Regeling omschrijft voor late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen de kaders waarbinnen het handelen van de arts dient te vallen. Ten aanzien van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar zijn in de Regeling geen zorgvuldigheidseisen opgenomen. Tijdens de herziening van de Regeling is vanuit het veld aangegeven dat het ontbreken van zorgvuldigheidseisen onwenselijk is, omdat dit vragen oproept over de rechtszekerheid voor artsen en de rechtsbescherming van kinderen en hun ouders. Het kabinet erkende deze zorgen en lichtte toe dat vanwege het gebrek aan casuïstiek verdere normontwikkeling noodzakelijk is voordat zorgvuldigheidseisen in de Regeling kunnen worden opgenomen.
Volgens het kabinet betekent het ontbreken van zorgvuldigheidseisen in de Regeling echter niet dat artsen en de commissie geen houvast hebben. De arts moet bij levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar op grond van heersend medisch inzicht tot de overtuiging komen dat levensbeëindiging het enige redelijke alternatief is om het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind weg te nemen. Voor haar beoordeling neemt de commissie de door de NVK geformuleerde zorgvuldigheidseisen bij haar toetsing als vertrekpunt.*7
Bijlage 4
De commissie bestaat uit zes leden en zes plaatsvervangende leden. De voorzitter is een strafrechtjurist. Er zijn in totaal vier arts-leden, afkomstig uit en/of werkzaam in disciplines die betrokken zijn in het medisch vakgebied (gynaecologie, neonatologie en kinderneurologie). Ook is één lid deskundig op het gebied van ethische of zingevingsvraagstukken. De commissie wordt bijgestaan door twee secretarissen en een procesondersteuner.
Leden
- Mw. mr. G.M. van Dijk, strafrechtjurist (voorzitter)
- Mw. dr. I. Cuppen, kinderneuroloog (arts-lid)
- Dhr. dr. R.C.J. de Jonge, kinderarts, intensivist (arts-lid)
- Mw. prof. dr. M.C. Haak, gynaecoloog-perinatoloog (arts-lid)
- Mw. dr. E. van Leeuwen, gynaecoloog-perinatoloog (arts-lid)
- Mw. dr. G.J.M.W. van Thiel, medisch ethicus (ethicus-lid)
Plaatsvervangende leden
- Dhr. mr. R. van Eenennaam, strafrechtjurist (plv. voorzitter)
- Dhr. dr. J. Nicolai, kinderneuroloog (plv. arts-lid)
- Dhr. prof. dr. A.H.L.C. van Kaam, neonatoloog (plv. arts-lid)
- Dhr. dr. S. Galjaard, gynaecoloog-perinatoloog (plv. arts-lid)
- Mw. dr. E. Sikkel, gynaecoloog-perinatoloog (plv. arts-lid)
- Mw. dr. M.A. Brouwer, medisch-ethicus (plv. ethicus-lid)
Secretariaat
- Mw. mr. R. Bos, secretaris
- Dhr. mr. A.V. Somai, secretaris
- Dhr. A. Lahdidioui, procesondersteuner