1. Regeling
2025
1.1 Relevante begrippen
Enkele begrippen komen vaker terug in dit jaarverslag en worden hieronder nader toegelicht:
- Regeling
Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (hierna: de Regeling). - Late zwangerschapsafbreking
Een behandeling gericht op het afbreken van een zwangerschap na 24 weken met als beoogd gevolg het overlijden van de ongeboren vrucht, omdat bij de ongeborene sprake is van een aandoening of een combinatie van aandoeningen die van zodanige aard is dat na de geboorte zou worden afgezien van een medische behandeling. Een late zwangerschapsafbreking moet, net als voor 1 februari 2024, worden gemeld bij de commissie. Tot en met 31 januari 2024 werden deze meldingen gezien als een late zwangerschapsafbreking categorie 2. Sinds de wijzigingen in de Regeling, voortkomend uit de evaluatie van de Regeling*1, spreekt de commissie van een late zwangerschapsafbreking. - Late zwangerschapsafbreking categorie 1
Bij een late zwangerschapsafbreking categorie 1 (LZA1) gaat het om een zwangerschapsafbreking na een zwangerschapsduur van 24 weken, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ongeborene niet in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven. Een late zwangerschapsafbreking categorie 1 moet sinds 1 februari 2024 worden gemeld bij de Commissie LZA1 van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (hierna: NVOG). - Pasgeborene
Een kind dat de leeftijd van één jaar nog niet heeft bereikt. - Kind
Een kind dat de leeftijd van één jaar heeft bereikt, maar de leeftijd van twaalf jaren nog niet. - Ouders
Ouder of ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen over dan wel de voogd of voogden van de ongeborene, de pasgeborene of het kind. - Levensbeëindiging
Het toedienen van farmaca met als doel het leven van een pasgeborene of een kind te beëindigen omdat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. - Arts
De arts die de verrichting heeft gedaan die heeft geleid tot de late zwangerschapsafbreking of de levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind tot 12 jaar. - Onafhankelijk arts
Arts die geen behandelrelatie heeft met de patiënt, dat wil zeggen inhoudelijke
betrokkenheid bij de diagnostiek en het beleid in de desbetreffende situatie, en die deskundig is inzake de aandoening van de ongeborene dan wel de pasgeborene of het kind. Bij een late zwangerschapsafbreking betreft deze betrokkenheid de moeder, bij levensbeëindiging van een pasgeborene de pasgeborene zelf, en bij kinderen van 1 tot 12 jaar het kind zelf. Het heeft de voorkeur dat de onafhankelijk arts uit een ander centrum of ziekenhuis komt, maar dit is geen verplichting volgens de Regeling. - Melding
Verplichte kennisgeving door de arts aan de commissie door middel van het daartoe vastgestelde modelverslag. De modelverslagen zijn te vinden op de website van de commissie. - Oordeel
De uitkomst van de beoordeling door de commissie van de zorgvuldigheid van het handelen van de arts bij late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind. - College van procureurs-generaal
Het College van procureurs-generaal (hierna: het College) beoordeelt de strafrechtelijke verwijtbaarheid van een arts in zaken die betrekking hebben op late zwangerschapsafbreking, levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar.
1.2 Werkwijze
De commissie beoordeelt de zorgvuldigheid van het handelen van de arts die een late zwangerschapsafbreking, een levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind heeft uitgevoerd. De zorgvuldigheidseisen voor de verschillende categorieën zijn te vinden in bijlage 1: Zorgvuldigheidseisen. Bijlage 2 beschrijft het proces van de commissie en bijlage 3 beschrijft de beoordeling door het College.
Late zwangerschapsafbreking en het beëindigen van het leven van een pasgeborene of van een kind van 1 tot 12 jaar zijn in beginsel strafbaar (artikel 82a, 289 en 296 Wetboek van Strafrecht). Een beroep op een rechtvaardigingsgrond in de zin van noodtoestand kan de strafbaarheid daarvan wegnemen. Van een noodtoestand kan alleen sprake zijn als naar medisch-wetenschappelijk inzicht vaststaat dat de aandoeningen zodanig zijn dat medisch ingrijpen (na de geboorte) zinloos is. De commissie beoordeelt aan de hand van de zorgvuldigheidseisen of een arts zorgvuldig heeft gehandeld. In artikel 6 van de Regeling zijn de zorgvuldigheidseisen te vinden in het geval van een late zwangerschapsafbreking. In artikel 7 van de Regeling zijn de zorgvuldigheidseisen te vinden in het geval van levensbeëindiging bij een pasgeborene.
Ten aanzien van de groep kinderen van 1 tot 12 jaar is in verband met het beperkte aantal casussen verdere normontwikkeling nodig voordat zorgvuldigheidseisen in de Regeling kunnen worden opgenomen. Bij het beoordelen van een melding van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar zal de commissie in ieder geval de zorgvuldigheidseisen meewegen zoals die op 2 oktober 2024 zijn geaccordeerd door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). Deze zorgvuldigheidseisen zijn geformuleerd door een expertgroep die ingesteld werd door de NVK, met betrokkenheid vanuit het Kenniscentrum Kinderpalliatieve Zorg. De beoordelingscommissie neemt ter verdere normontwikkeling voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar de in de Regeling opgenomen zorgvuldigheidseisen die gelden voor levensbeëindiging bij pasgeborenen (artikel 7, zie bijlage 1) in haar beoordeling als vertrekpunt mee. Uitgangspunt blijft dat levensbeëindiging de enige mogelijkheid moet zijn om het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind op te heffen en dat het handelen van de arts naar heersend medisch inzicht zorgvuldig moet zijn.