Feiten en omstandigheden

Diagnose en prognose
Uit prenataal onderzoek (GUO, herhaalde echo’s, MRI en vruchtwaterpunctie) bleek dat de ongeborene ernstige structurele hersenafwijkingen had ten gevolge van een congenitale (aangeboren) CMV-infectie. De bevindingen omvatten onder meer microcefalie (pathologisch kleine hoofdomtrek), sterk achterblijvende gyrering (onvoldoende ontwikkeling van hersenplooien), een smalle corticale mantel (dunne hersenschors), wijdverspreide calcificaties (kalkafzettingen) in de hersenen, cystevorming rond de ventrikels (vochtholtes rond de hersenkamers), afwijkingen van de witte stof (beschadiging van de banen die hersengebieden verbinden) en tekenen van polymicrogyrie (te veel en te kleine hersenplooien). Ook was sprake van een algehele foetale groeiachterstand.

De prognose was uiterst somber. Het kind zou zeer ernstig verstandelijk en meervoudig beperkt zijn, met volledige zorgafhankelijkheid. Een ernstige psychomotorische ontwikkelingsstoornis, zeer moeilijk behandelbare epilepsie, spasticiteit, visusstoornissen en doofheid. Er waren geen behandelmogelijkheden die deze prognose konden verbeteren.

Lijden bij kind en moeder
Het te voorziene lijden van het kind bestond uit een combinatie van zeer moeilijk behandelbare epilepsie, ernstige motorische, cognitieve en zintuiglijke beperkingen en volledige zorgafhankelijkheid bij alle dagelijkse levensverrichtingen. De moeder was intens verdrietig en wilde haar kind een leven vol lijden besparen.

Bespreking binnen eigen behandelteam en second opinion
Het verzoek is besproken in een multidisciplinair overleg (MDO) in het behandelend ziekenhuis, waar consensus bestond over diagnose, prognose en het honoreren van het verzoek. Daarnaast vond een onafhankelijke beoordeling plaats in een ander ziekenhuis. Daar werden de diagnose en prognose bevestigd, evenals het besluit om het verzoek tot late zwangerschapsafbreking te honoreren.

Uitvoering
De zwangerschapsafbreking werd uitgevoerd bij 30+2 weken (30 weken en 2 dagen). De arts diende systemische pijnstilling toe aan de ongeborene, waarna foeticide werd verricht door intracardiale toediening van kaliumchloride, waarop de ongeborene overleed. Vervolgens werd de baring ingeleid met misoprostol. Twee dagen later vond de bevalling plaats en kwam het kind levenloos ter wereld.

Overwegingen van de commissie

De commissie overweegt dat de aangeboren hersenafwijkingen van zodanige ernst waren dat na de geboorte zou worden afgezien van levensverlengend medisch handelen. Er was naar heersend medisch inzicht geen redelijke twijfel over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose.

Actueel of te voorzien uitzichtloos lijden bij ongeborene
Op grond van de hierboven onder ‘Diagnose en prognose’ genoemde problematiek is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat bij de ongeborene sprake was van te voorzien uitzichtloos lijden. Er waren geen behandelingsmogelijkheden om de prognose te kunnen verbeteren.

Volledige informatieverstrekking en geen redelijke andere oplossing
De commissie constateert dat de ouders volledig op de hoogte zijn gebracht en uitgebreid zijn voorgelicht, ook over het alternatief van het uitdragen van de zwangerschap. Dit blijkt uit de verslaglegging van de arts. Gelet hierop is de arts in overleg met de ouders tot de conclusie gekomen dat er geen redelijke andere oplossing was.

Uitdrukkelijk verzoek moeder om beëindiging van de zwangerschap
De commissie maakt uit de verslaglegging op dat de vrouw en haar partner hebben verzocht om beëindiging van de zwangerschap. Uit de verslaglegging blijkt dat het verzoek vrijwillig en consistent was en het besluit tot beëindiging van de zwangerschap weloverwogen is genomen.

Ten minste één onafhankelijke arts geraadpleegd
Het verzoek is besproken in een MDO in het behandelend ziekenhuis en er heeft een onafhankelijke consultatie plaatsgevonden in een ander ziekenhuis. In beide ziekenhuizen bestond consensus over diagnose, prognose en het honoreren van het verzoek.

Medisch zorgvuldige uitvoering
De commissie concludeert dat de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking medisch zorgvuldig is geweest.

Oordeel

De commissie is van oordeel dat de arts heeft gehandeld overeenkomstig de geldende zorgvuldigheidseisen.